array(13) {
  [0]=>
  int(130742)
  [1]=>
  int(130740)
  [2]=>
  int(130744)
  [3]=>
  int(130738)
  [4]=>
  int(130741)
  [5]=>
  int(130737)
  [6]=>
  int(130739)
  [7]=>
  int(130743)
  [8]=>
  int(130745)
  [9]=>
  int(130747)
  [10]=>
  int(130736)
  [11]=>
  int(130746)
  [12]=>
  int(130748)
}

Uit de geschiedenis van de cellebroeders van Middelburg

Soms kom je in een boek een paar bladzijden tegen waardoor je ineens heel anders naar een stukje Middelburgse geschiedenis kijkt. Dat hadden wij onlangs bij De zorg gewogen. Zeven eeuwen godshuizen in Middelburg, het proefschrift (PDF) van Hannie Kool-Blokland uit 1990. Een kloek werk van ruim zeshonderd pagina’s over de geschiedenis van de Middelburgse godshuizen.

Wij bleven hangen bij een hoofdstuk over de Cellebroeders (Cellieten). Die naam kenden we wel, van de geschiedenis van de Engelse Kerk en het Simpelhuis. Cellebroeders, later ook wel Alexianen of Zwarte Broeders genoemd. In Middelburg zaten ze eeuwenlang. Maar we verdiepten ons er nooit echt in. We dachten altijd aan vrome middeleeuwse kloosterlingen, met zwarte pijen aan, die zorgden voor de zieken, en het begraven van de doden. Dat beeld klopt ook wel, maar vroom waren de broeders zeker niet altijd.

Van kloosterbroeders tot stedelijke lijkenploeg

De Cellebroeders kwamen waarschijnlijk in de jaren 1470 naar Middelburg. Hun werk was bepaald niet voor watjes. Tijdens pestepidemieën verpleegden ze zieken, brachten ze pestlijders naar het pesthuis en begroeven ze de doden. Dat waren niet alleen patiënten uit het gasthuis. Ze haalden ook lijken op die op straat werden gevonden, verdronkenen, gevangenen en mensen die door justitie waren omgebracht.

Tijdens epidemieën hielpen ze bovendien in het pesthuis en namen ze soms zelf patiënten op in hun eigen klooster. Het stadsbestuur wist dat werk kennelijk te waarderen. In 1532 kregen ze gedurende 32 weken iedere week een ton Gouds bier. Bier was toen dagelijkse kost en onderdeel van beloning en voeding. Toch krijgt die voorraad bier een iets andere bijklank als je verder leest. Want de Cellebroeders blijken niet altijd toonbeelden van ingetogenheid te zijn geweest.

Laveloos met een lijk op de baar

In de zeventiende eeuw bestond hun religieuze orde in Middelburg feitelijk al niet meer. Na de Reformatie mochten de broeders blijven omdat de stad ze simpelweg niet kon missen. In 1611 werd hun klooster ingericht als Simpelhuis. De voormalige broeders verhuisden naar huisjes op het Bagijnhof en bleven hun oude werkzaamheden uitvoeren. De naam bleef, de religieuze orde verdween. Je zou ze vanaf dat moment bijna kunnen zien als een officiële Middelburgse beroepsgroep van ziekenvervoerders, lijkdragers en begrafenispersoneel.

Bij dat werk hoorden nogal wat reglementen. Dat is meestal een goed teken, want als een overheid iets nadrukkelijk verbiedt, is de kans vrij groot dat het daarvoor geregeld gebeurde. Zo kregen de Cellebroeders te horen dat ze in een sterfhuis geen sterke drank mochten opeisen. Als de nabestaanden vrijwillig iets inschonken was dat iets anders, maar vragen of aandringen was verboden. Ze mochten ook niet roken tijdens het werk, geen ruzie maken met grafdelvers, geen omstanders uitschelden en geen planken van doodskisten meenemen. En ze moesten hun baar zó dragen dat de dode er niet vanaf viel, met een, zoals het reglement het fraai formuleerde, ‘bedaerde en eenparige tred’.

Kennelijk was dat nodig. Kool-Blokland beschrijft namelijk dat zich tot 1666 in het holst van de nacht geregeld heel andere taferelen afspeelden. Scheldende en dronken Cellebroeders zwalkten door de stad en waren soms nauwelijks nog in staat het lijk op de baar te houden. Dat beeld blijft hangen: een donkere Middelburgse straat, nauwelijks verlichting, waggelende mannen in zwarte kleding met een baar met daarop een dode.

De stuipen op het lijf

Die zwarte kleding droeg sowieso bij aan hun reputatie. Tijdens pestepidemieën leefden de Cellebroeders behoorlijk geïsoleerd. Ze kwamen voortdurend in aanraking met zieken en lijken en werden daardoor door andere inwoners met argwaan bekeken. Volgens De zorg gewogen maakten ze daar soms zelf ook misbruik van. Ze konden ’s nachts ineens op pleinen opduiken en met hun donkere kleding mensen flink laten schrikken.

Ook andere regels lijken rechtstreeks voort te komen uit incidenten. Zo kwam er in 1668 een bepaling dat een graf eerst gegraven moest zijn vóórdat de broeders een lijk gingen ophalen. Er waren namelijk klachten dat opgehaalde doden soms nog een dag tot anderhalve dag boven de grond bleven staan, omdat het graf nog niet klaar was. In de zeventiende eeuw werd ook verboden om meerdere lijken tegelijk op één baar te stapelen. Waarom deden ze dat? Omdat ze dan minder vaak hoefden te lopen.

Lang niet altijd sober

We zijn tegenwoordig gewend om een begrafenis automatisch te associëren met ingetogenheid, stilte en koffie na afloop. Dat ging in vroeger tijden soms wel een beetje anders. Eten en drinken hoorden al eeuwen bij rituelen rond de dood. De gewoonte was zelfs zo ingebakken dat buren een formele rol hadden wanneer iemand stierf. Jan ter Gouw beschreef in De volksvermaken hoe bij een sterfgeval de naaste buren, de zogenaamde waêburen, moesten worden geroepen. Zij waren getuigen van het overlijden, kleedden vervolgens het lichaam in het doodsgewaad en gingen daarna alvast in een andere kamer eten en drinken.

Daarna volgde de begrafenis. Twaalf buren droegen het lichaam, vijfentwintig luidden de klok en de rest liep achter de baar. Na afloop werd er opnieuw gegeten en gedronken, en niet zuinig ook. Ter Gouw noemt allerlei oude namen voor zulke bijeenkomsten: doodbier, groevebier, troostbier, doodvetje en zelfs grafbruiloft.

Van uitvaart naar zuipvaart

De maaltijd hoorde oorspronkelijk bij veel oudere rituelen rondom de dood. Mensen aten en dronken bij of rond een graf en herdachten daarmee de overledene. Het christendom kreeg die gebruiken er bepaald niet zomaar uit. Pas vanaf de late middeleeuwen probeerden stedelijke overheden zulke praktijken nadrukkelijker te beteugelen. De maaltijden verdwenen daardoor geleidelijk van kerkhof en kerk naar woonhuizen en herbergen. Maar daarmee was het drinken natuurlijk nog niet weg. Integendeel. Ter Gouw schrijft dat spotters de uitvaart daarom ook wel de zuipvaart noemden.

Bij een begrafenis kregen dragers drinkgeld. Tot de spullen die rouwwinkeliers leverden behoorden ook kannen en wijnglazen. Sommige doodsmalen duurden dagen en het ging er volgens de bronnen regelmatig opvallend vrolijk aan toe. In 1718 noteerde een Haagse buurtsecretaris bijvoorbeeld dat men na een begrafenis een ‘vrolijcke maeltyt’ had gehouden met een goed glas wijn, tot laat in de avond.

Een druk begrafenisfeest

Er bestaan werkelijk krankzinnige voorbeelden. Toen in 1680 de herbergier Gerrit Dirksz. den Uyl in Sloten overleed, werd er een openbaar doodsmaal georganiseerd. Iedereen die wilde komen eten en drinken was welkom. Het werd een groot ‘succes’. Volgens de beschrijving voeren de schuiten vanuit Amsterdam voortdurend vol mensen naar Sloten. De wegen liepen vol met wagens en rijtuigen en ook bedelaars en landlopers kwamen op het feest af. De eindstand volgens de oude bron: 1100 pond vlees, 20 okshoofden wijn en 70 halfvaten bier. En tabak in overvloed. Dat soort toestanden was een van de redenen waarom de Staten van Holland in 1671 openbare doodsmalen gingen verbieden.

Ook kleinere begrafenissen konden trouwens verrassend vrolijk aflopen. Justus van Effen herinnerde zich een begrafenis in Utrecht waarbij jonge mannen geld hadden gekregen voor het dragen van een overleden jonge vrouw. Ze besloten van het geld een feest te organiseren en namen ieder een buurmeisje mee. Dat feestje duurde twee dagen. Daarna volgden nog allerlei kleine bijeenkomsten en daaruit ontstonden weer verliefdheden en huwelijken. Van Effen vatte het mooi samen: uit het graf kwam het huwelijk voort, en uit de dood weer leven.

Volkomen laveloos in Middelburg

Terug naar onze eigen stad. In augustus 1666 vond het Middelburgse stadsbestuur het blijkbaar welletjes. Begrafenissen moesten voortaan op klaarlichte dag plaatsvinden, tussen twee en vier uur ’s middags. Nachtelijke begrafenissen konden worden bestraft met een forse boete van vijftig carolusgulden.

Een van de redenen? De maaltijden rond begrafenissen liepen nogal eens uit de hand. De gasten bleven de hele avond en nacht eten en drinken en waren tegen de ochtend, zoals Kool-Blokland het uit de bronnen optekende, ‘volkomen laveloos’.

Dat is toch een bizar stukje Middelburgse geschiedenis? Wij denken bij zeventiende-eeuwse uitvaarten aan zwarte mantels, klokken en ernstige gezichten. De werkelijkheid kon kennelijk ook zijn: een nachtelijke begrafenis, een lange maaltijd, veel bier en wijn, een gezelschap dat tegen zonsopkomst nauwelijks meer wist hoe het thuis moest komen en een stel Cellebroeders dat ondertussen zelf ook niet helemaal nuchter meer door de straten trok.

Een beroep waar je blijkbaar toch aan hing

Het gekke is dat het werk van Cellebroeder ondanks alles geliefd bleef. Er zat een regelmatig inkomen aan vast, je kon daarnaast je eigen ambacht blijven uitoefenen en je kreeg gratis woonruimte op het Bagijnhof. In de zeventiende eeuw werden de plaatsen zelfs onderling verkocht. Voor vijftien Vlaamse ponden kon iemand een Cellebroedersplaats bemachtigen. Dat ging soms behoorlijk mis.

In 1705 kocht Catharina van Dycke zo’n plaats voor haar man omdat ze dacht daarmee verzekerd te zijn van een stabiele toekomst. Niet lang daarna verdween hij, met achterlating van zijn zwangere vrouw, vier kinderen en een flinke schuld. De regenten besloten daarop dat Cellebroedersplaatsen voortaan niet meer verkocht mochten worden. Later waren er overigens ook vrouwelijke Cellebroeders. In de achttiende eeuw zijn onder anderen Maria Doop, Elisabeth Tijdgat en Johanna Duriez in die functie bekend. Ook dat past niet echt bij het beeld van een klooster vol mannen in zwarte pij.

Tot 1903

Misschien wel het opmerkelijkste is hoe lang de Cellebroeders van Middelburg standhielden. Hun religieuze oorsprong was allang verdwenen, hun klooster was weg en de stad, de gezondheidszorg en het begrafeniswezen waren totaal veranderd. Maar de functie bleef.

Zelfs na de Franse tijd bleven de lijkdragers hun oude taken uitvoeren. In de negentiende eeuw kregen ze steeds meer concurrentie van particuliere begrafenisondernemers. Die klaagden in 1866 zelfs bij het bestuur van de Godshuizen dat Middelburg vasthield aan een eeuwenoud voorrecht van de Cellebroeders. De regenten trokken zich daar weinig van aan. Pas aan het einde van de negentiende eeuw hield het systeem geen stand meer. De nog werkzame broeders waren oud en zwak en nieuwe mensen waren nauwelijks te vinden voor het zware werk en de geringe vergoeding.

Op 1 januari 1903 werd de corporatie opgeheven. De hoofdman had zijn functie op dat moment 53 jaar vervuld. De huisjes op het Bagijnhof werden in 1908 verkocht. Daarmee verdween een organisatie die haar oorsprong had in de Middeleeuwen en die meer dan vier eeuwen deel had uitgemaakt van Middelburg.

Bronnen afbeeldingen

De afbeeldingen en foto’s van Bagijnhof en het Pesthuis in Middelburg zijn afkomstig uit de collectie Beeld en Geluid van het Zeeuws Archief. Een aantal behoren tot de collectie van het KZGW. 

De plattegrond van een deel van Middelburg in 1657, met daarop onder het Pesthuis en het Bagijnhof dicht bij elkaar, en het Simpelhuis en de Engelse Kerk, is een fragment van de kaart van Cornelis Goliath.

De afbeeldingen van cellebroeders en het oude Simpelhuis komen uit Europeana en de collectie van het Rijksmuseum.

Gerelateerde verhalen

Afbeelding #001 voor het verhaal Een rondgang langs de gestichten van Middelburg in 1857
Een rondgang langs de gestichten van Middelburg in 1857

Wie het boek De gestichten en openbare gebouwen van Middelburg van de artsen A.A. Fokker en J.C. de Man openslaat, verwacht een brede wandeling langs ziekenhuizen, scholen, kerken en andere […]

24 jul 2026
Afbeelding #001 voor het verhaal Gemeente Middelburg opent nieuwe inloopvoorziening in de Simpelhuisstraat
Leger des Heils opent nieuwe inloopvoorziening in de Simpelhuisstraat

Leger des Heils Walcheren opent na de zomer een nieuwe zogenoemde inloopvoorziening in het pand aan Simpelhuisstraat 1, waar in het verleden onder meer een tandartsenpraktijk was gevestigd. In januari […]

4 jun 2026
Afbeelding #004 voor het verhaal Maffe Middelburgse straatjes: De Ramstraat
Maffe Middelburgse straatjes: De Ramstraat

Als we een top tien zouden bijhouden van maffe Middelburgse straatjes, dan zou de Ramstraat er deze week met stip in binnenkomen! Tot vorige week was dit straatje, tussen de […]

19 feb 2026
Afbeelding #023 voor het verhaal Gegeseld, gebrandmerkt en opgehangen: lezen over het wrede Middelburg van vroeger
Gegeseld, gebrandmerkt en opgehangen: lezen over het wrede Middelburg van vroeger

Oh, die wonderlijke geschiedenis van Middelburg… Maar al vaak gaan we hier in op de schoonheid van onze stad, en op al die mooie en lieve verhalen en mensen, van […]

22 feb 2024

Volgende verhalen

Afbeelding #006 voor het verhaal De bibliotheek als (digitale) vraagbaak: Digidesk ZB Middelburg krijgt nieuwe impuls
De bibliotheek als (digitale) vraagbaak: Digidesk ZB Middelburg krijgt nieuwe impuls

Wie bij een bibliotheek vooral denkt aan de vraag waar een bepaald boek staat, moet eigenlijk eens een tijdje bij een informatiebalie gaan zitten. Bij ZB Bibliotheek van Zeeland komen […]

7 sep 2026
Afbeelding #000 voor het verhaal Marjan Ruiter neemt na achttien jaar afscheid van het Zeeuws Museum
Marjan Ruiter neemt na achttien jaar afscheid van het Zeeuws Museum

Hé, wat nu? Marjan Ruiter stopt 1 maart 2027 als directeur van het Zeeuws Museum. Dat is helemaal zo gek niet, na achttien jaar, maar we keken toch op, van […]

7 sep 2026
Afbeelding #000 voor het verhaal Die Hubs zijn voor de Flex, je weet toch?
Gezocht: meningen over en ervaringen met de Flex

In januari schreven we over die hubs voor de Flex. We kwamen er toen eerlijk voor uit dat we eigenlijk nauwelijks wisten wat dat hele Flex-vervoer precies inhield. Inmiddels zijn […]

8 sep 2026
Deze website maakt gebruik van cookies

We gebruiken cookies om content en advertenties te personaliseren, om functies voor social media te bieden en om ons websiteverkeer te analyseren. Ook delen we informatie over uw gebruik van onze site met onze partners voor social media, adverteren en analyse. Deze partners kunnen deze gegevens combineren met andere informatie die u aan ze heeft verstrekt of die ze hebben verzameld op basis van uw gebruik van hun services.

Noodzakelijke cookies helpen een website bruikbaarder te maken, door basisfuncties als paginanavigatie en toegang tot beveiligde gedeelten van de website mogelijk te maken. Zonder deze cookies kan de website niet naar behoren werken.

Statistische cookies helpen eigenaren van websites begrijpen hoe bezoekers hun website gebruiken, door anoniem gegevens te verzamelen en te rapporteren.

Marketingcookies worden gebruikt om bezoekers te volgen wanneer ze verschillende websites bezoeken. Hun doel is advertenties weergeven die zijn toegesneden op en relevant zijn voor de individuele gebruiker. Deze advertenties worden zo waardevoller voor uitgevers en externe adverteerders.

Voor meer informatie, bekijk ons privacybeleid.