Wie het boek De gestichten en openbare gebouwen van Middelburg van de artsen A.A. Fokker en J.C. de Man openslaat, verwacht een brede wandeling langs ziekenhuizen, scholen, kerken en andere publieke gebouwen. De titel is echter iets ruimer dan de inhoud van deze uitgave. Dit is nadrukkelijk het eerste deel, ‘De Gestichten’. De aangekondigde afzonderlijke behandeling van kerken, scholen en andere openbare gebouwen ontbreekt.
De auteurs bespreken zeven instellingen waar mensen voor langere tijd verbleven: het Gasthuis, de Garnizoensinfirmerie, het Ziekenhuis, het Werkhuis, het Burgerweeshuis, de Kazerne en het Burgerlijk en Militair Huis van Verzekering.
Het boek verscheen in 1857 en was oorspronkelijk bedoeld als onderdeel van een geneeskundige plaatsbeschrijving van Middelburg. Fokker en De Man wilden vooral weten wat de gebouwen deden met de gezondheid van hun bewoners. Ze letten daarom niet alleen op de functie van iedere instelling, maar ook op licht, lucht, vocht, drinkwater, riolering, verwarming en de ruimte per bewoner. Hun rondgang levert daarmee tegelijk een plattegrond van de negentiende-eeuwse zorgstad én een soms vernietigend rapport over de omstandigheden waaronder zieken, ouderen, wezen, militairen en gevangenen moesten leven.
De tocht begint in de Lange Delft, bij het oude Gasthuis en de daarbij behorende Sint-Barbarakapel. Het gesticht bestond al in de veertiende eeuw en was aanvankelijk bekend als het Maria- of Vrouwegasthuis en later als het Sint-Barbaragasthuis.
De naam gasthuis verwees oorspronkelijk niet alleen naar een ziekenhuis. Het was in de eerste plaats een passantenhuis voor zieke vreemdelingen en mensen die nog geen recht op ondersteuning in Middelburg hadden. In tijden van pest, oorlog en grote troepenbewegingen werden er ook gewonde en zieke militairen ondergebracht. Vanaf het begin van de negentiende eeuw ontwikkelde het zich tot het algemene ziekenhuis van de stad. Zowel behoeftige patiënten als mensen die hun verblijf konden betalen, werden er behandeld. Ook krankzinnigen verbleven er tijdelijk, in afwachting van vervoer naar het gesticht in Delft.
Doolhof
Het complex was in 1857 een doolhof van oude en nieuwe bouwdelen: ziekenzalen, een grote mannenzaal, een voormalige chirurgijnskamer, een bakkerij en een afzonderlijke verblijfplaats voor psychiatrische patiënten. De ouderdom gaf het gebouw historische betekenis, maar maakte het volgens de artsen ongeschikt als modern ziekenhuis. De zalen waren somber, slecht te ventileren en moeilijk naar ziekte, geslacht of maatschappelijke positie te scheiden. Een operatiekamer, goede badinrichting en kamers voor herstellende patiënten ontbraken.
Er bestonden daarom al concrete plannen om het Gasthuis te vervangen. De voorkeur ging uit naar nieuwbouw op de plaats van het Werkhuis aan het Noordpoortplein. De artsen beschouwden het oude Gasthuis niet zozeer als een instelling die wat onderhoud nodig had, maar als een gebouw dat zijn tijd definitief had gehad.
Aan het einde van de Langeviele stond de Garnizoensinfirmerie. Dit gebouw was tussen 1607 en 1611 opgetrokken als schuttershof van de Confrerie van de Edele Busse, ook wel de Kolveniers genoemd. De schutters hadden eerder een hof aan de zuidzijde van de Dam gebruikt, in de omgeving van de huidige Kuiperspoort.
Na de politieke onrust van 1787 werd het schuttershof verkocht aan de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Bij de komst van de Fransen in 1795 werd het voor het eerst ingericht als militair hospitaal. In Middelburg bleef men het gebouw daarna eenvoudigweg “het hospitaal” noemen.
Ideaal
De ligging was volgens Fokker en De Man vrijwel ideaal. Het complex bevond zich tussen de binnen- en buitengracht, keek uit op een open plein en beschikte aan de achterzijde over tuinen. Er waren zes ziekenzalen, afzonderlijke ruimten voor besmettelijke ziekten, een apotheek, een keuken, een badkamer, een lijkenkamer en vertrekken voor herstellende militairen. In normale omstandigheden konden er ongeveer honderd zieken worden opgenomen.
Van alle besproken zorginstellingen kwam de Garnizoensinfirmerie het dichtst bij wat de twee artsen onder een goed ziekenhuis verstonden. De zalen waren ruim, hoog en goed geventileerd. Dat het gebouw nooit als ziekenhuis was ontworpen, bleek geen onoverkomelijk bezwaar. Een doordachte verbouwing en een ruim terrein konden volgens hen veel goedmaken. Alleen de nabijheid van de vervuilde binnengracht bleef een gezondheidsrisico.
Aan de Heerengracht stond een gebouw dat in het boek het Ziekenhuis wordt genoemd, maar in 1857 feitelijk als oude mannen- en vrouwenhuis functioneerde. Het was tussen 1781 en 1784 gebouwd als armziekenhuis op een terrein dat de stad had aangekocht van dokter P.L. de Wolff.
Er werden mensen van 65 jaar en ouder opgenomen, maar ook ongeneeslijk zieken, mensen met lichamelijke beperkingen en zogenoemde proveniers. Die laatste groep betaalde een bedrag om gedurende de rest van het leven in het gesticht te mogen wonen.
Van buiten was het volgens de auteurs misschien wel het fraaiste gesticht van Middelburg. Achter een grote poort lag een ruime tuin, met aan het einde een statig vierkant gebouw met twee zijvleugels. Het terrein besloeg ruim zevenduizend vierkante ellen.
De schoonheid verborg echter ernstige tekortkomingen. Het complex lag laag, met de Heerengracht aan de voorzijde en de beruchte Achtergracht aan de achterzijde. Beide waterlopen verspreidden volgens de artsen kwalijke dampen. De mannen verbleven beneden en de vrouwen op de verdieping. Er waren slaap- en ziekenkamers, maar een goede scheiding van verschillende groepen bewoners ontbrak. Juist ouderen en chronisch zieken, die behoefte hadden aan frisse lucht, warmte en comfort, werden er blootgesteld aan vocht, stank en tocht.
De benaming Ziekenhuis was dus enigszins misleidend. Het gebouw diende vooral als een combinatie van verzorgingshuis, verpleeghuis en proveniershuis.
Aan het Noordpoortplein stond het Werkhuis, in de volksmond ook wel de Doelen genoemd. Die laatste naam was volgens de auteurs onjuist. Het sierlijke gebouw was omstreeks 1600 opgetrokken als weeshuis en had vanaf 1606 alle Middelburgse wezen gehuisvest.
Toen in 1718 aan het Molenwater een nieuw Burgerweeshuis werd geopend, bleef het oude gebouw in gebruik als Armenweeshuis. In 1812 verhuisden ook deze kinderen. Een deel werd naar de Koloniën van Weldadigheid gezonden.
Daarna wisselde het gebouw herhaaldelijk van bestemming. Vanaf 1817 functioneerde het als werkhuis, waar arme en werkloze inwoners door spinnen en weven aan werk moesten worden geholpen. Omdat deze onderneming weinig opleverde, veranderde het later in een tijdelijk opvangcentrum voor bedelaars, verlaten kinderen en mensen die wachtten op overplaatsing naar een kolonie.
Verlaten kinderen
Vanaf 1844 werden er onder meer buitenechtelijke en verlaten kinderen en andere behoeftige inwoners ondergebracht. In 1856 bood het tijdelijk onderdak aan rooms-katholieke wezen en aan mensen met epilepsie, nadat hun verblijven aan de Heerengracht waren afgebroken.
Het Werkhuis was daarmee minder één duidelijke instelling dan een gebouw dat steeds opnieuw werd gebruikt voor groepen waarvoor elders geen plaats was. Weeshuis, werkverschaffing, armenopvang, bedelaarsdepot en tijdelijk tehuis volgden elkaar op. In 1857 woonden er nog ongeveer negentig mensen. De gemeente overwoog het complex af te breken en op de stevige fundamenten een nieuw Gasthuis te bouwen.
Aan de oostzijde van het Molenwater stond het Burgerweeshuis. Het was in 1718 gebouwd dankzij een aanzienlijk legaat van Lidia Boreis, weduwe Verbrugge. Haar geld was uitdrukkelijk bestemd voor een tehuis voor wettige kinderen uit de burgerstand die tot de Nederduits Hervormde Kerk behoorden.
Het gebouw verrees op het zogenoemde Waaigat, samen met een aangrenzend pakhuis en erf. Het moest de meer bevoorrechte wezen en verlaten kinderen uit de hervormde burgerij huisvesten. Armere wezen bleven aanvankelijk in het oude weeshuis aan het Noordpoortplein.
Het verschil tussen beide weeshuizen weerspiegelde de sterke maatschappelijke en kerkelijke ordening van die tijd. Niet ieder ouderloos kind kwam automatisch in dezelfde instelling terecht. Afkomst, wettigheid, geloof en de vraag wie voor de kosten verantwoordelijk was, bepaalden waar een kind werd geplaatst.
Het Burgerweeshuis was symmetrisch gebouwd en gold volgens de artsen als een sieraad voor het Molenwater. Behalve slaap-, eet- en werkruimten bezat het complex een tuin en een apotheek. Die apotheek stond historisch in verband met de medische verzorging van de armen van de hervormde diaconie. In 1856 werden in het gebouw 105 wezen verzorgd, van wie vijftien voor particuliere rekening.
Hoewel de auteurs ook hier kritiek hadden op ventilatie en inrichting, beoordeelden zij het Burgerweeshuis aanzienlijk gunstiger dan het oude Gasthuis en het Werkhuis.
De vaste kazerne lag ongeveer aan het einde van de Korte Noordstraat, dicht bij het Molenwater en de Heerengracht. Het gebouw had vóór 1606 vermoedelijk als weeshuis of “armschool” gediend en was vanaf 1614 bekend als het Oude Mannen- en Vrouwenhuis.
Die bestemming eindigde in 1808. Tijdens de Britse invasie van Walcheren in 1809 werden er militairen gehuisvest. Daarna bleef het complex afwisselend in gebruik als kazerne.
Geïmproviseerde militaire huisvesting
De auteurs plaatsen deze vaste kazerne tegen de achtergrond van een lange geschiedenis van geïmproviseerde militaire huisvesting. Engelse soldaten hadden ooit in de Koorkerk gelegen. Andere troepen waren ondergebracht in een stadsmagazijn aan de Kousteensedijk, het voormalige slachthuis van de West-Indische Compagnie aan de Blauwedijk, een pakhuis bij de Sint-Geersbarrière, gebouwen in de Molstraat en het Sint-Jorisstraatje, en op het Molenwater, op de plaats waar in 1857 de schouwburg stond. Ook de lijnbaan bij de Slijkpoort en de omgeving van een meestoof waren tijdelijk als hospitaal gebruikt.
De kazerne aan de Korte Noordstraat bood normaal ruimte aan ongeveer 250 militairen. Volgens de militaire artsen konden er verantwoord 360 mannen verblijven. In de zomer, wanneer de miliciens onder de wapenen kwamen, liep de bezetting echter op tot 400 à 450 man. Dan ontstonden problemen met ruimte, luchtkwaliteit en hygiëne.
Opvallend is dat Fokker en De Man het oude gebouw niet principieel afkeurden. Na verbeteringen kon het volgens hen redelijk goed als kazerne functioneren. Daarmee vormde het een bewijs dat ouderdom niet automatisch ongeschiktheid betekende, zolang voldoende werd geïnvesteerd in verbouwing, ventilatie en watervoorziening.
Het laatste en misschien indrukwekkendste gebouw was het Burgerlijk en Militair Huis van Verzekering. In de wandeling sprak men van het Tuchthuis, Spinhuis of Rasphuis.
Het complex was in 1641 gebouwd op een gedeelte van de oude stadswal, bij het Sas. Een deel van de bouwkosten werd betaald uit de opbrengst van het afgebroken leprozenhuis. Aanvankelijk wilde men er eventuele nieuwe gevallen van melaatsheid kunnen onderbrengen, maar de voornaamste functie werd die van gevangenis voor kleinere misdadigers, dieven en landlopers. Zware delinquenten werden in het ’s Gravensteen opgesloten.
Binnen het complex bestonden verschillende regimes. In het “separate” werden kinderen geplaatst die als onhandelbaar of ontspoord werden beschouwd. Vrouwen die wegens hun gedrag waren veroordeeld, moesten in het Spinhuis werken. Mannelijke gevangenen werden ingezet bij het weven, het malen van koren in een tredmolen en het raspen van brazielhout voor de ververijen.
In de negentiende eeuw diende het gebouw als zowel burgerlijke als militaire gevangenis. Er waren gewone gevangenkamers, lokalen voor verhoor, een krijgsraadkamer, afzonderlijke ruimten voor militairen en veertien betrekkelijk nieuwe cellen voor eenzame opsluiting. Die cellen bleken zo gehorig dat gevangenen met elkaar konden praten. Ze werden daarom uiteindelijk als één gezamenlijke afdeling gebruikt.
Stinkende modderpoel
Het gebouw lag hoog en was gedeeltelijk door water omgeven, maar de hygiënische omstandigheden waren slecht. Aan de achterzijde lag een doodlopend gedeelte van de binnengracht waarin de privaten loosden. Wanneer het water laag stond, veranderde dit in een stinkende modderpoel. Direct achter het complex bevond zich bovendien de stedelijke beerput. De combinatie van stilstaand water, afval, slechte ventilatie, ongedierte en gebrekkig drinkwater maakte het Tuchthuis volgens de artsen tot een gevaarlijke verblijfplaats.
Die vrees was niet theoretisch. In 1817 waren er ongeveer vierhonderd mensen opgesloten geweest, waarna een zware tyfusepidemie uitbrak. In 1853 schommelde het aantal mannelijke gevangenen tussen 47 en 90; in mei 1856 zaten er in totaal 138 mensen. Het gebouw kon volgens de berekeningen ongeveer 120 personen herbergen zonder dat zij werkelijk op elkaar werden gestapeld.
Het opvallendste aan deze rondgang is hoe weinig gebouwen in negentiende-eeuws Middelburg één vaste functie hadden. Een schuttershof werd een militair hospitaal. Een weeshuis werd een werkhuis, bedelaarsdepot en tijdelijke opvang. Een oude mannen- en vrouwenhuis werd een kazerne. Een armziekenhuis veranderde in een verzorgingshuis. Zelfs het Tuchthuis was tegelijk gevangenis, werkplaats, militaire detentieplaats en opvoedingsgesticht.
De stad bouwde niet telkens iets nieuws wanneer een maatschappelijke behoefte veranderde. Zij schoof groepen mensen en functies door bestaande gebouwen. Dat was goedkoop en praktisch, maar bepaald niet altijd gezond.
Achter de gevels
Fokker en De Man kijken dan ook anders naar de stad dan een architectuurhistoricus. Een mooie gevel maakte nog geen goed gesticht. Voor hen telde vooral wat zich achter die gevel afspeelde: konden ramen open, kwam er zonlicht binnen, was er schoon water, waar verdwenen de uitwerpselen, hoeveel mensen sliepen in één zaal en welke dampen stegen uit de grachten op?
Hun boek laat daarmee een Middelburg zien waarin zorg en disciplinering dicht bij elkaar lagen. Zieken, ouderen, wezen, armen, militairen en gevangenen werden allemaal in grote instellingen ondergebracht. De ene groep moest worden genezen, de andere verzorgd, opgevoed, aan het werk gezet, bewaakt of gestraft. Maar steeds keerde dezelfde vraag terug: was het gebouw waarin dat gebeurde zelf niet een bedreiging voor hun gezondheid?
A.A. Fokker en J.C. de Man, De gestichten en openbare gebouwen van Middelburg. I. De Gestichten, Middelburg, 1857. De uitgave behandelt uitsluitend de zeven gestichten; een afzonderlijk deel over kerken, scholen en andere openbare gebouwen is hierin niet opgenomen.
Afbeeldingen: collecties KZGW in beeldbank Zeeuws Archief, Beeldbank Zeeland in Collectie Zeeland en Beeldbank Rijksdienst voor het cultureel erfgoed.