Nog meer moois uit de collectie van Bert Helm: beelden van een festival van Jeugd en Muziek Zeeland in Middelburg, én van optredens van fanfare St. Juttemis. Het is er nog steeds nooit van gekomen om er eens goed in te duiken, maar we denken natuurlijk wel meteen aan Christian Blaha en zijn proefschrift ‘Wat in Middelburg kan, dat kan niet’, aan wijlen Niek van Raaij en aan Rob Maaskant.
Maar wat als je de AI van ChatGPT Jeugd & Muziek Zeeland een beetje laat samenvatten? We proberen het gewoon eens, en we horen het wel als het niet klopt, hè?
Het klinkt nog altijd een beetje ongelooflijk, maar het is waar: tussen grofweg 1969 en 1989 was Middelburg een van de spannendste plekken voor nieuwe muziek in Europa. Terwijl elders werd getwijfeld, geëxperimenteerd of afgewacht, gebeurde het hier gewoon. In de Kloveniersdoelen, op straat, in kerken en op onverwachte plekken in de stad. De motor achter dat alles: Jeugd & Muziek Zeeland.
Wat begon als een jeugdorganisatie groeide in Middelburg uit tot iets totaal anders. Geen brave concertjes om jongeren ‘iets bij te brengen’, maar een vrijplaats voor radicale ideeën, nieuwe klanken en kunstenaars die elders nauwelijks podium kregen. Onder leiding van Ad van ’t Veer werd Jeugd & Muziek vanaf het einde van de jaren zestig een professionele, eigenzinnige organisatie met een heldere houding: wij doen wat anderen niet durven.
Zo werd Middelburg, tegen alle verwachtingen in, een internationaal kruispunt van avant-garde. Grote namen uit de nieuwe muziek kwamen hier niet alleen optreden, maar bleven hangen. Componisten, musici en performers ontmoetten elkaar, luisterden naar elkaars werk en begonnen ter plekke nieuwe dingen. Niet omdat het moest, maar omdat het kon.
Vanaf 1976 kreeg dat alles een jaarlijks hoogtepunt in het Festival Nieuwe Muziek. Drie weken lang stroomde de stad vol met muziek die je nergens anders hoorde: complex, confronterend, soms lastig, vaak adembenemend. Wereldpremières en Nederlandse premières volgden elkaar op. Middelburg stond plots op de kaart bij kenners, musici en critici ver buiten Zeeland.
Hier klonken werken van componisten als Iannis Xenakis, die zelfs huiscomponist werd, maar ook van Morton Feldman, Giacinto Scelsi, György Kurtág en John Cage. Nederlandse vernieuwers als Louis Andriessen, Willem Breuker, Misha Mengelberg en Leo Cuypers waren er kind aan huis. Jazz, improvisatie en gecomponeerde muziek liepen dwars door elkaar heen. Dat was geen bijzaak, maar juist de kern.
Wat het extra bijzonder maakte, was de sfeer. Geen sterrengedrag, geen afstand. Artiesten liepen gewoon door de stad, zaten bij elkaar in de zaal, hielpen soms zelfs mee met opbouwen. Alles was informeel, direct en betrokken. Juist daardoor voelde Middelburg voor veel kunstenaars als een thuisbasis – een plek waar je risico mocht nemen.
Deze periode legde meer fundamenten dan vaak wordt beseft. Ideeën over locatiekunst, festivals, filmvertoningen buiten de reguliere circuits: ze werden hier al uitgeprobeerd, jaren voordat ze elders gemeengoed werden. Veel latere Zeeuwse cultuurinitiatieven vonden hier, bewust of onbewust, hun voedingsbodem.
Na de jaren tachtig veranderde het klimaat. De scherpe randjes verdwenen langzaam, Jeugd & Muziek ging verder als Nieuwe Muziek Zeeland en werd onderdeel van het landelijke circuit. De radicale voorhoedepositie verdween. Wat bleef, was een indrukwekkende erfenis, en het besef dat er een tijd was waarin Middelburg niet volgde, maar vooropliep.
Wat in Middelburg kon, kon inderdaad niet overal. En misschien juist daarom kon het hier wel.