Wat een leuk en verrassend mailtje kregen we afgelopen vrijdag! Het was een bericht van de ons onbekende Marijke Matthijssen, die ons schreef:
Vandaag bestaat ons pand, Het Groote Huis, Lange Noordstraat 39, 200 jaar. Omdat dit voor ons, de bewoners, toch een bijzondere dag is, gaan wij dit met ons samen toch een bijzonder tintje aangeven met een borreltje en een b.g.g. in de tuin. Als jullie het leuk vinden, welkom voor een borrel!
De borrel bleek op dezelfde dag te zijn, eind van de middag. Dat tijdstip kwam ons niet goed uit, maar we mailden meteen terug dat we graag wat foto’s wilden komen nemen, want het Groote Huis passeren we bijna dagelijks, zonder een goed beeld te hebben van de appartementen achter de voorgevel, en de tuin die achter het enorme pand ligt.
We waren van harte welkom. Een half uur later maakten we kennis met Marijke en haar man Piet Matthijssen, die in het verleden onder meer als notaris werkte bij de Zeeuwse Alliantie in de Wagenaarstraat. De twee legden uit dat ze sinds anderhalf jaar in het appartement wonen. Voordien woonden ze op een van de oudste boerderijen van Walcheren: Wilhelmina’s Oord.
Piet leidde ons even rond door de fraaie tuin, en liet ons het plein met de garages zien, dat daar weer achter ligt. Vervolgens nam hij ons mee naar het appartement van de buren, waar in een oude gevelsteen een inscriptie is te zien, die de huidige bewoners van het complex (er zijn zes appartementen) nog niet hebben kunnen duiden.
En zo werden we ook meteen voorgesteld aan buurtjes Beernoud Moojen en zijn vrouw Divera, die sinds vijf jaar in het complex wonen. Beernoud was in het verleden onder meer wethouder in Hilversum, en nauw betrokken bij de bouw van Beeld en Geluid in die plaats (dat weten we dankzij Google, niet omdat we erover spraken). Ook bij de familie Mooijen mochten we even binnen kijken, zo ook in de oude kelder onder het huis. Fenomenaal!
De twee appartementen die we zagen zijn zeer royaal van opzet. Die zouden we zelf al als ‘Groote huizen’ omschrijven. Maar in vroeger tijden was het dus één woonhuis. Bizar. Als je je dat realiseert dan snap je ook wel waarom het vaak een stadspaleis werd genoemd.
Omdat Piet en Marijke aangaven nog niet zo veel te weten van de geschiedenis van het Groote Huis’ besloten we vanochtend te kijken wat we zelf konden vinden in online bronnen. We gebruikten onder meer de digitale collecties van de ZB, het Zeeuws Archief, Delpher en Google Books, plus een paar andere website. Zie de bronnen onderaan. We lieten de vondsten een beetje ordenen door ChatGPT.
Dat wat we vonden is verre van compleet en oude prenten vonden we helaas ook niet, maar uiteindelijk is er wel al een flinke aanzet, en een leuke lap tekst. Er zitten misschien nog fouten in. Stuur ons gerust correcties. Want we zijn bibliothecarissen hè, geen historici.
Voor de liefhebbers:
Sommige panden in Middelburg zijn groot omdat ze groot zijn. Andere zijn groot omdat er zoveel geschiedenis achter schuilgaat. Bij Lange Noordstraat 39 geldt allebei.
Het monumentale pand dat daar nu staat wordt al heel lang Het Groote Huis genoemd. En terecht: de gevel is breed, rijk versierd en imposant. Maar achter die naam zit veel meer dan alleen mooie architectuur.
Op deze plek stond al in de zeventiende eeuw een bijzonder stadshuis, met een tuin die zelfs door Jacob Cats werd bezongen. Later werd hetzelfde adres beroemd als achttiende-eeuws stadspaleis, bewoond door een puissant rijke VOC-bestuurder. Daarna zat er een politieke sociëteit, werd het pand tegen de zin van de eigenaren in gebruik genomen door een Franse generaal, liep het zware brandschade op, bleef het jarenlang als bouwval staan en werd het in de jaren 1825-1826 van de grond af nieuw opgebouwd, en deed het in de twintigste eeuw dienst als rijkskantoor en belastingkantoor.
Kortom: dit is niet zomaar een huis. Dit is een adres waar Middelburgse, Zeeuwse, literaire, politieke én koloniale geschiedenis samenkomen.
Het huidige pand aan de Lange Noordstraat 39 is een rijksmonument. Het staat in het monumentenregister onder nummer 29183. Tegenwoordig is het adres verdeeld in meerdere huisnummers: 39 A tot en met 39 F.
De gevel is een van de rijkste voorbeelden van empirearchitectuur in Middelburg. Het huis heeft een brede, elf traveeën tellende voorgevel, een natuurstenen voet, blokpilasters, een statige ingangspartij, balkon, beeldhouwwerk en een stoep met palen, kettingen en hekwerk.
In het monumentenregister wordt bij de stoep het jaartal 1823 genoemd. In oudere monumentenliteratuur wordt het pand ook gedateerd op 1825. Dat kleine verschil is interessant, want juist in die jaren lijkt de overgang te liggen tussen het oudere Groote Huis en het huidige monumentale pand.
Ook belangrijk voor verder onderzoek: het huidige huisnummer Lange Noordstraat 39 komt overeen met het oude Middelburgse wijknummer L 127. Wie in oude kranten, archieven of notariële akten zoekt, moet dus niet alleen zoeken op Lange Noordstraat 39, maar vooral ook op Lange Noordstraat L 127, wijk L nummer 127, Groote Huis, Groote Huys en Groot Huis.
De geschiedenis van Het Groote Huis gaat nog verder terug dan Van Dishoeck. In de bijlage bij Jacob Cats te Middelburg wordt Lange Noordstraat L no. 127 in de oudste registers aangeduid als “het huis met de drie torenkens”. De eerste bekende eigenaar was Jacques Wijnricht, rentmeester-generaal van Zeeland Bewesterschelde in de jaren 1578 tot 1582. In 1606 kwam het huis in handen van Cornelis Meunincx, een vermogend koopman die samen met Balthazar de Moucheron tot de eerste bewindhebbers van de Oost-Indische Compagnie behoorde. Daarna werd Pieter van der Hagen eigenaar.
Het huis was toen al geen doorsneepand. In een belastingkohier uit 1613 werd het omschreven als een huis ‘met alle sijne appendentiën‘. De schrijver van de bijlage merkt daarbij op dat dit genoegzaam aantoont dat het toen al een meer dan gewone uitgestrektheid had.
De grootste verandering kwam in de tijd van ridder Pieter Courten. Volgens de negentiende-eeuwse beschrijving liet hij de drie torens van het oude huis van Wijnricht afbreken en gaf hij het pand een groots uiterlijk. Op de plattegrond van Goliat onderscheidde het zich daardoor opvallend van de andere huizen aan die zijde van de Lange Noordstraat.
Vanaf die tijd werd het huis Het Groote Huis genoemd. Die naam duikt volgens dezelfde bron voor het eerst op in het kohier van de huisschatting over de jaren 1665-1672. Het huis bleef daarna tot in de achttiende eeuw eigendom van de familie Boudaen Courten.
Ook de beroemde tuin hoort bij deze fase. Op de plattegrond waren fonteinen, kiosken, waranden, bloemperken en verdere aanleg te zien. De schrijver schrijft die tuin grotendeels toe aan de fijne smaak van Hortensia del Prado, de vrouw van Pieter Courten en een van de gevierde vriendinnen van Jacob Cats. Daarmee wordt de verwijzing bij Cats nog steviger: hij bezong niet zomaar een mooie tuin in de buurt, maar vrijwel zeker de tuin van dit huis.
Pieter Courten en zijn vrouw Hortensia del Prado (in oudere bronnen ook geschreven als Hortensia del Prato) woonden begin zeventiende eeuw in het huis. Zij behoorden tot de kringen rond Jacob Cats, die zelf ook in de Lange Noordstraat woonde.
Courten en Del Prado bewoonden volgens de literatuur het Grote Huis, vier huizen verderop van Cats. Hun tuin moet bijzonder zijn geweest. Niet zomaar een achterplaats met wat groen, maar een echte stadshof: rijk, verzorgd en kennelijk beroemd genoeg om door Cats te worden bezongen.
In zijn regels over de tuin klinkt de verwondering nog altijd door:
Ick weet een weerde vrouw hier binnen dese mueren,
Een licht, en gulde krans van onse na-gebueren,
Die voert een eygen naem genomen vanden hof,
En daerin scheptse vreucht, niet sonder haren lof:
Daer heeftse menich fruyt uyt alle vreemde landen,
Daer menich aerd-gewas van alle verre stranden,
Daer bloemen sonder naem, daer ongepersten wijn,
Gelijcker dickmael koomt gedreven vanden Rijn;
Daer speelt het geestich nat met hondert water-sprongen,
Daer teelt de gulle visch, de herten krijgen jongen:
Wat dienter veel geseyt? daer is een volle schat;
Een wout, een open velt, te midden inde stadt.
Vooral die laatste regel is raak: ‘Een wout, een open velt, te midden inde stadt.’ Een bos en een open veld, midden in Middelburg. Het zegt iets over de schaal van het huis, maar ook over de bewoners. Dit was geen gewoon woonhuis. Dit was een plek waar rijkdom, smaak, natuur, status en stadscultuur bij elkaar kwamen.
Mooi is ook de woordspeling. Cats schrijft over een vrouw die “een eygen naem genomen vanden hof” draagt. Dat verwijst vrijwel zeker naar Hortensia, een naam die verwant is aan hortus, het Latijnse woord voor tuin. Cats bezong dus niet alleen de tuin, maar ook de vrouw die ermee verbonden was.
De beroemdste latere voorganger van het huidige pand stond op dezelfde plek. Dat was het achttiende-eeuwse Groote Huys van Ewout van Dishoeck en zijn vrouw Adriana.
Van Dishoeck had carrière gemaakt in dienst van de VOC in Azië. Na zijn terugkeer naar Zeeland vestigde hij zich in Middelburg. Hij werd kiesheer van de stad en later directeur bij de VOC-Kamer Zeeland. Zijn huis aan de Lange Noordstraat was geen bescheiden woning, maar een waar stadspaleis.
In 1733 kreeg de Middelburgse geschiedschrijver Pieter de la Rue een rondleiding door het huis. Wat hij zag maakte diepe indruk. Het huis was gevuld met kunst, kostbare meubels, oosterse voorwerpen en rariteiten. Er waren schilderijen in vergulde lijsten, wandtapijten, Japanse schermen, grote spiegels, schelpen, gesteenten, mineralen, naturalia en allerlei bijzondere objecten uit de Oost en uit Amerika.
De la Rue noemde het huis eerder een vorstelijk paleis dan een gewoon woonhuis.
Het Groote Huys speelde later ook een rol in de politieke geschiedenis van Middelburg.
Na de omwenteling van 1795, in de Bataafse tijd, kreeg de Vaderlandsche Sociëteit onderdak in het Groote Huys aan de Lange Noordstraat. Op 20 juli 1795 verhuisde de sociëteit naar dit pand. Het huis was toen eigendom van drie leden: Jan van Essen, C.J. Serlé en P.J. Serlé.
De sociëteit huurde er drie vertrekken: een sociëteitszaal, een leeskamer en een directiekamer. Dat was geen gewone herensociëteit voor borrels alleen, maar een politieke ontmoetingsplek in een roerige tijd. Er werd vergaderd, gelezen, gediscussieerd en georganiseerd.
Later veranderde de naam in Constitutioneel Gezelschap. In 1803 kocht de club een eigen gebouw aan de Markt. In 1804 kreeg dat gezelschap de naam De Vergenoeging.
In 1803 duikt het Groote Huis opnieuw op in de bestuurlijke stukken. Dit keer niet als stadspaleis of sociëteitsgebouw, maar als pand dat door een Franse generaal werd opgeëist.
Op 15 september 1803 behandelde het Departementaal Bestuur van Zeeland een verzoek van de belanghebbenden bij het Groote Huis, ‘staande in de Lange Noordstraat te Middelburg.’ Het huis was op dat moment verhuurd aan mr. P. Buteux, maar nog niet door hem betrokken. Op 9 september 1803 was de Franse generaal Poinfot het huis binnengegaan. Volgens de verzoekers had hij het meteen bezet en in bezit genomen, geheel tegen hun wil en bedoeling.
De eigenaren of belanghebbenden vroegen het bestuur om in te grijpen, of in ieder geval om schadeloosstelling. Het Departementaal Bestuur verwees hen vervolgens door naar het stadsbestuur van Middelburg.
De bezetting van het Groote Huis kwam niet uit de lucht vallen. In dezelfde periode klaagden de Zeeuwse bestuurders over de steeds verder oplopende lasten van de Franse militaire aanwezigheid op Walcheren. Voor generaal Poinfot moest een geschikt huis worden gezocht, maar men vreesde al dat hij zich anders zelf een huis naar keuze zou toe-eigenen. Dat is precies wat bij het Groote Huis lijkt te zijn gebeurd.
Daar bleef het niet bij.
In de notulen van het Staats-Bewind van de Bataafsche Republiek duikt de kwestie in 1804 opnieuw op. Dan gaat het om Marinus Tak c.s., gezamenlijke belanghebbenden bij een huis en erf genaamd het Groot Huis, gelegen in de Lange Noordstraat binnen Middelburg.
Zij vroegen schadevergoeding omdat het huis tegen hun wil door generaal Poinfot was bewoond. Hun verzoek ging niet alleen over gemiste huurinkomsten, maar ook over schade door brand. In het huis had namelijk brand plaatsgevonden tijdens de periode waarin Poinfot het gebruikte.
Uit de stukken blijkt dat de zaak serieus genoeg was om bij het Staats-Bewind terecht te komen. Het verzoek werd in handen gesteld van de Secretaris van Staat, Departement van Oorlog, die advies moest uitbrengen.
Later blijkt uit de stukken dat het huis voor twaalf maanden was verhuurd, ingaande 1 mei 1803, voor 1000 gulden per jaar. Doordat de huurder het huis nog niet had betrokken, stond het leeg toen Poinfot er in september 1803 zijn intrek nam. In de nacht van 2 op 3 maart 1804 ontstond brand in het huis. De schade werd volgens de stukken begroot op maar liefst ƒ 10.865:17:0. Dat was een enorm bedrag.
Het onbeschadigde deel van het huis bleef daarna nog tot 6 augustus 1804 door Poinfot gebruikt worden. Zo werd het Groote Huis in korte tijd niet alleen een militair verblijf, maar ook het onderwerp van een langdurige schadezaak.
Daarmee was het verhaal van de branden en schade overigens nog niet voorbij. De brand tijdens het verblijf van Poinfot was een ernstige schadepost, maar kennelijk bleef er daarna nog genoeg van het complex over om het huis later opnieuw te verkopen. Andere bronnen melden namelijk dat het Groote Huis in 1808 werd verkocht en vier jaar later opnieuw, of verder, door brand werd getroffen. Dat latere brandmoment leidde er uiteindelijk toe dat er jarenlang bouwvallen bleven staan.
Een oude beschrijving van het pand geeft meer duidelijkheid over de overgang van het oude naar het huidige Groote Huis. In 1808 werd het huis verkocht voor de minderjarige erfgenaam van de familie Van der Poort/Steengracht. Nieuwe eigenaar werd Johannes Haccou, voor een koopsom van negentienhonderd ponden Vlaams.
Daarna verloor het huis snel zijn oude luister. Er brak een hevige brand uit en in 1812 was het voormalige verblijf van de rentmeester-generaal van Zeeland, het aanzienlijke koopmanshuis en de ‘lustwarande van Hortensia del Prado’ volgens de bron nog nauwelijks vijftig gulden waard.
Op 24 augustus 1812 werd het huis en erf voor 105 francs en 50 centimes verkocht aan timmerman Pieter Seybel. Dat verklaart meteen waarom de familie Seijbel in de geschiedenis van het huis opduikt. Seybel deed er later goed aan: bij de openbare verkoop van 28 december 1825 bracht het huis met het bijbehorende terrein 6000 gulden op.
Voor dat bedrag ging het bezit over naar Jhr. mr. Johan van Reigersberg Versluijs. Volgens dezelfde beschrijving liet hij het huis van de grond af nieuw opbouwen en herscheppen tot het moderne woonhuis dat de Lange Noordstraat nog altijd siert. Daarmee is de overgang eigenlijk helder: het huidige empirepand is niet zomaar een verbouwde rest van het oude Groote Huis, maar in hoofdzaak een nieuwbouw uit de jaren 1825-1826, op de historische plek van het oude huis.
De kleine gevelsteen in de achtergevel past bij die bouwfase. In de achtergevel zit dus een bescheiden steen met de initialen C.R.A.B. en het jaartal 1826. Dat jaartal past bij de periode waarin Het Groote Huis zijn huidige, negentiende-eeuwse vorm kreeg. De initialen zijn nog niet sluitend verklaard, maar misschien verwijzen ze wel naar Catharina Reiniera Aelmans, via haar huwelijk verbonden aan de familie De Haze Bomme. Die familie stond weer dicht bij Johan van Reigersberg Versluys, die het huis in deze jaren liet herbouwen.
In de twintigste eeuw kreeg het pand opnieuw een heel andere functie.
In kranten en archiefstukken duikt Lange Noordstraat 39 op als kantoor van Registratie en Domeinen. Vanaf 1920. Later wordt het pand ook genoemd als gebouw van de Belastingdienst. In het archief van de Rijksgebouwendienst zijn stukken bekend over het pand als rijkskantorengebouw. Rond 1935 werd er bijvoorbeeld een plattegrond gemaakt van het gebouw.
De grote lijnen zijn helder, maar er blijven ook vragen over.
Hoe liep de eigendomsgeschiedenis precies tussen Courten, Van Dishoeck, Van Essen, Serlé, Seijbel en latere eigenaren? Hoe verhouden het zeventiende-eeuwse huis van Courten en Del Prado, het achttiende-eeuwse stadspaleis van Van Dishoeck en het huidige empirepand zich precies tot elkaar? In hoeverre bij die nieuwbouw nog materiaal of muurwerk van het oude complex is hergebruikt, blijft een mooie vraag voor verder bouwkundig en archiefonderzoek. Voor dat soort vragen is dieper archiefonderzoek nodig. Denk aan transportakten, boedelbeschrijvingen, notariële akten, kadastrale kaarten en bouwtekeningen.
Maar zelfs met wat nu al bekend is, mogen we rustig zeggen: Lange Noordstraat 39 is een van de meest gelaagde adressen van Middelburg.
Het huidige pand is indrukwekkend genoeg. Maar wie de geschiedenis kent, ziet meer dan een mooie gevel. Die ziet een stadstuin bezongen door Jacob Cats, een huis van Pieter Courten en Hortensia del Prado, een VOC-stadspaleis, een politieke sociëteit, een door Franse militairen bezet pand, een negentiende-eeuws herenhuis en een oud rijkskantoor ineen.
Een Groot Huis, net wat je zegt!
Voor dit verhaal is onder meer gebruikgemaakt van de volgende bronnen en aanknopingspunten voor verder onderzoek:
Het pand in 1907: Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
Oude kaarten Middelburg: collectie Zeeuws Archief
Knipsels: ZB Krantenbank Zeeland
Bonus: uit Jacob Cats te Middelburg, 1603-1623, en zijn huis aldaar, ook in betrekking tot de vroegere en latere bewoners, door Johannes Hermanus de Stoppelaar · 1860:
