Is zo’n snoeshaan in uniform nu echt leuker dan een Zeeuw op zijn Paasbest?
Jaaa! Even een jaartje of 84 terug in de tijd, naar een editie van ‘Ons Zeeland’ van 28 maart 1940. Duizenden Nederlandse mannen waren in die tijd gemobiliseerd in verband met de oorlogsdreiging. Ook Middelburgse mannen moesten er aan geloven. Blijkbaar veroverden die mannen in uniform veel vrouwenharten. De schrijver van dit artikel steekt zijn jaloezie niet onder stoelen of banken. Kort voor Pasen jammert hij heerlijk, in het Nederlandsch van toen:
“O neen, ze hebben haar bange hartjes niet uitgestort in ingezonden stukken en haar angsten niet uitgesnikt in bezwerende requesten — maar waren het niet de Middelburgche meisjes, die het diepst getroffen en verslagen bleken, toen eenmaal het Middelburgsch garnizoen dreigde opgeheven te worden? En zoo zijn de Middelburgschen niet alleen — nu, in den mobilisatietijd, kunt u in heel ons gewest weer ervaren die onberedeneerde voorkeur van de Zeeuwsche meisjes voor ’t militaire. Kunt u dat verklaren?
O, vroeger! Toen was ’t wat anders.
Toen was het nog te begrijpen. Die donkere, correcte uniform, met al die veelsoortige en beteekenisvolle biezen en belegsels en schouderstukken en patten en hoe al die uitmonstering nog meer mocht heeten! En denk eens aan die sjako’s! En dan die koorden en kwasten en pluimen, die er bij plechtige gelegenheden nog aan te pas kwamen! Slaat u er het familieportretten-album nog maar ‘ns op na.
Nee, daar werd maar dan ook letterlijk niets gespaard om den pokdaligsten, scheelsten en vormeloosten recruut op te tuigen, tot ie er, naar den smaak van dien tijd dan, hartveroverend uitzag. En als dan ten minste z’n snor nog maar ’n beetje fortuinlijk groeien wilde…. Nee, dat de meisjes daar hals over kop in moesten vliegen, dat is te begrijpen.
Maar nú.
De meisjes zijn er toch zeker niet minder pretentieus en kieskeurig op geworden. Ja, natuurlijk, u had erop gerekend, dat u met Paschen in de Lange Delft of op den Vlissingschen Boulevard toch wel wat indruk zoudt maken met dat adembenemende voorjaarscostuum van den geraffineerdsten kleermaker van heel Middelburg en met dien droom van een smeltend gekleurd overhemd en die hemelbestormende das en uw weelderigen lichten hoed.
En u, och arme, daar dacht u nu alle concurrentie morsdood te slaan met die pasgeërfde grootste en kostbaarste zilveren knoopen en het zwierigste Walchersche hoedje en het kwiekste boerenjasje van heel Biggekerke! Maar u hebt buiten de mobilisatie gerekend!
Daar slenterden achter u aan een paar dienstplichtige infanteristen-met-bewegingsvrijheid, in blubberende grijs-groene veldjasjes en met van die schuiten van modderschoenen en van die kronkelige gedraaide lappen om d’r beenen – en de meisjes zagen al niet meer uw knoopen of uw hoedje, uw kostbaar overhemd of uw voorjaarspak van-boven-uw-stand – de infanteristen hebben de chance!
Kijk ‘ns, we kunnen hier in Zeeland de zon in ’t water zien schijnen. En we gunnen iederen infanterist of kustwachter of wat ze ook zijn mogen, het hunne: Maar ze moeten ons nu hier niet de kaas van het brood komen eten!
Wat zien de meisjes dan aan dat saaie, lubberige, rauwe pakje en de kistjes van al die vreemde snoeshanen? Geen kwast, geen pluim, geen patten, geen bies en geen galon. Een man zonder figuur of snit, zonder geur of smaak, alleen maar rimpels en kronkels en plooien van stekelig ruig grijsgroen. Is dat nou leuker dan een Zeeuw op zijn Paaschbest?
En u zult zien – de grijsgroenen halen hier, nog eer de mobilisatie over is, de knapste Zeeuwsche meisjes weg. En wat blijft er voor ons over? Ik vind ’t geen troost, dat onze gemobiliseerde Zeeuwsche jongens straks hier met Hollandsche of Brabantsche vrouwen komen aanzetten!”
Genieten toch?
Knipsel Ons Zeeland: ZB Tijdschriften Zeeland