Wat een intrigerend raadsel is dit zeg! Eerder deze week spraken we in de stad met de bewoners van Herengracht 80/82. Zij vertelden ons over een bijzondere vondst tijdens een verbouwing: een groot houten grafkruis, dat tevoorschijn kwam uit een kastruimte die jarenlang verborgen was geweest. Eerdere bewoners hebben die ruimte ooit dichtgetimmerd.
Het kruis is meer dan honderd jaar oud. Het werd in 1914 gemaakt voor een gesneuvelde Duitse militair. Maar hoe belandde zo’n kruis ooit aan de Herengracht in Middelburg? Wie nam het mee? Wanneer werd het in het pand opgeborgen? En waarom bleef het vervolgens zo lang uit het zicht?
We zijn er nog lang niet uit, maar nieuwsgierig zijn we des te meer. Het onderstaande verhaal kun je ook downloaden als PDF.
Op het kruis staat met de hand gekerfd: “UFFZ. O. HUHN – RES. INF. REGT. 233. 2 – 7.11.14”, met twee kleine IJzeren Kruizen. Vrijwel alles wijst erop dat het om een Duits graf- of veldgrafkruis uit de Eerste Wereldoorlog gaat. “Uffz.” staat voor Unteroffizier, onderofficier. O. Huhn diende bij het Duitse Reserve-Infanterie-Regiment 233; het cijfer 2 zou op de tweede compagnie kunnen slaan. De datum 7 november 1914 is vrijwel zeker zijn sterfdatum. Het eenvoudige hout, de met de hand aangebrachte tekst, de vorm en de afmetingen passen bij de tijdelijke houten graftekens die tijdens de Eerste Wereldoorlog bij veldgraven werden geplaatst.
Ook de militaire context klopt. Reserve-Infanterie-Regiment 233 maakte in het najaar van 1914 deel uit van de Duitse troepen die in Vlaanderen vochten. In oktober en november waren daar de zeer zware gevechten rond de IJzer en ten noorden van Ieper gaande. Het is daarom goed denkbaar dat Huhn ergens in die frontstreek sneuvelde en daar aanvankelijk werd begraven. Waar precies, en wie deze O. Huhn was, hebben we nog niet kunnen vaststellen. Dat is een van de belangrijkste openstaande vragen. De Duitse verlieslijsten en vooral de in 1931 verschenen regimentsgeschiedenis van Reserve-Infanterie-Regiment 233 kunnen mogelijk uitkomst bieden.
Minstens zo raadselachtig is de reis die het kruis daarna heeft afgelegd. Hoe komt een Duits grafkruis uit 1914 terecht achter een wand of in een verborgen ruimte van een Middelburgs huis?

Daarvoor zijn we in de geschiedenis van het adres gedoken. Het huidige Herengracht 80 maakte onder de oude Middelburgse wijknummering deel uit van M 36b. Dat oude nummer correspondeerde bij de invoering van de moderne straatnummering niet alleen met nummer 80, maar ook met Herengracht 82. Nummer 82 blijkt in de jaren dertig expliciet als een bovenwoning te zijn gebruikt. Een advertentie uit 1937 vraagt bijvoorbeeld om een dagmeisje voor “Heerengracht 82 boven”. Het lijkt er daarom sterk op dat het oude M 36b meer dan één woonruimte omvatte en dat deze bij de nieuwe nummering als 80 en 82 uit elkaar werden gehaald.
Dat is belangrijk voor de vondst. Een ruimte die tegenwoordig bouwkundig bij nummer 80 hoort, hoeft honderd jaar geleden niet noodzakelijk tot dezelfde woonruimte te hebben behoord. Zonder precies te weten waar in het huis het kruis is gevonden — beneden, boven, op zolder, in het voor- of achterhuis en aan welke zijde — kunnen we het nog niet aan één vroegere bewoner koppelen.
MULO
De reeks M 36, M 36a, M 36b, M 36c enzovoort lijkt overigens niet te zijn ontstaan doordat de panden bij de aangrenzende christelijke MULO hoorden. Het latere schoolgebouw stond op het oude nummer M 36, tegenwoordig Herengracht 74. De toevoegingen a, b, c enzovoort horen bij het oude systeem van wijknummering en waarschijnlijk bij latere bebouwing en onderverdeling van het gebied. M 36b was dus een eigen adrescomplex naast de school, geen eenvoudig subnummer van de MULO.
We hebben ook enkele bewoners en passanten kunnen traceren. Een van de opmerkelijkste is Peter Gordes. Hij kwam op 17 november 1914 naar Middelburg en wordt kort daarna in de krant genoemd als winkelbediende op Heerengracht M 36b, afkomstig uit Venlo. Dat is slechts tien dagen na de datum op Huhns kruis. Aanvankelijk leek dat een veelbelovend spoor. Maar Gordes woonde er maar kort. In de tweede helft van januari 1915 vertrok hij alweer naar Venlo en zijn Middelburgse adres was toen inmiddels de Lange Giststraat. Zijn verblijf op M 36b duurde dus waarschijnlijk slechts enkele weken.
Daarmee is een directe relatie tussen Gordes en het grafkruis minder waarschijnlijk geworden. Om hem het kruis al in november 1914 naar Middelburg te laten brengen, zou een grafkruis van een op 7 november gesneuvelde Duitser binnen enkele dagen uit een veldgraf in Vlaanderen moeten zijn verdwenen en via Venlo in Middelburg terechtgekomen. Dat kan niet geheel worden uitgesloten, maar zonder aanvullend bewijs is het geen sterke verklaring.
In november 1915 vinden we weer een andere naam op M 36b: A.F. Schreuder, die vanaf dat adres naar Gorinchem vertrok. Ook dit wijst erop dat er relatief veel bewonerswisselingen waren. Mogelijk werden kamers of afzonderlijke gedeelten verhuurd.
Een ander opvallend spoor duikt in 1932 op. De Zeeuwsche Confectie Fabriek aan het Molenwater zocht personeel. Belangstellenden konden zich overdag bij de fabriek melden, maar na zes uur moesten zij naar Heerengracht M 36b. We hebben meer advertenties gevonden waarin M 36b als contactadres wordt gebruikt, ook voor de verhuur van woonruimte elders. Opvallend genoeg wordt daarbij nooit de naam genoemd van degene die op M 36b de deur zou openen.

Dat betekent dat we voorzichtig moeten zijn met de conclusie dat een directeur van de Zeeuwsche Confectiefabriek er woonde. De fabriek werd geleid door onder anderen Johan Heinrich Leonard Brokmeier en Frederik Willem Monshouwer, maar vooralsnog is niet bewezen dat een van hen op M 36b woonde. Het adres kan bijvoorbeeld van een personeelsmedewerker, beheerder, verhuurder of andere betrokkene zijn geweest. Juist omdat M 36b later 80 én 82 werd, weten we bovendien niet in welk gedeelte van het pand men zich in 1932 moest melden.
Na de invoering van de nieuwe huisnummering worden de afzonderlijke adressen duidelijker zichtbaar. Op Herengracht 82 woonde in 1937 onder anderen mevrouw Bouman; advertenties spreken expliciet van “82 boven” en van een klein gezin. In 1939 vinden we er de familie rond Johannes Casteleijn, die op 79-jarige leeftijd overleed; zijn rouwadvertentie vermeldt dat de begrafenis vanaf Heerengracht 82 vertrok. In 1942 gebruikte J.J. Segboer nummer 82 als contactadres voor bijeenkomsten van tafeltennisclub Slaraak. In datzelfde jaar kwam ook D. Reuthman vanuit Rotterdam naar nummer 82. Dat alles bevestigt in ieder geval dat 82 als zelfstandige woning werd gebruikt.
Voor Herengracht 80 vinden we in het adresboek van 1940 S. Adriaanse. Na de oorlog verschijnt op nummer 80 J.L. IJssel, die daar in de textielhandel actief was. Ook die namen zijn interessant voor een verdere bewonersgeschiedenis, maar tot nu toe is geen verbinding gevonden met Huhn of zijn regiment.
Er dook nog een Huhn op, heel dichtbij. Op 17 maart 1920 overleed in Vlissingen de 53-jarige Alwin Huhn. Zijn originele overlijdensakte vermeldt dat hij stoker was, dat zijn woonplaats onbekend was en dat ook verdere familiegegevens bij de aangevers niet bekend waren. Als geboorteplaats wordt ‘Pastelwitz’ genoteerd, mogelijk een verbastering van een Duitse plaatsnaam. De overeenkomst in achternaam en het overlijden in Vlissingen, slechts zes jaar na de dood van O. Huhn, is aantrekkelijk, maar er bestaat vooralsnog geen enkele bewezen familierelatie. Alwin kan een passerende zeeman of arbeider zijn geweest. Dit spoor moet daarom als interessant toeval worden behandeld totdat genealogisch onderzoek anders uitwijst.
Ook de aanwezigheid van duizenden Belgische vluchtelingen in Zeeland tijdens de Eerste Wereldoorlog biedt in theorie een mogelijke route voor het kruis. Belgen werden niet alleen in grote opvanglocaties ondergebracht; sommigen verbleven bij particulieren of huurden kamers en woningen. Maar ook hier geldt: we hebben tot nu toe geen enkele Belgische vluchteling aan M 36b kunnen koppelen. Het is dus achtergrondcontext, geen verklaring.

Belgische vluchtelingen in de Lange Delft in Middelburg
Wat resteert is een object waarvan de eerste fase waarschijnlijk wél goed is vast te stellen, maar waarvan de tweede helft van de geschiedenis nog vrijwel volledig ontbreekt.
Het kruis lijkt afkomstig van het graf van Unteroffizier O. Huhn, die op 7 november 1914 bij Reserve-Infanterie-Regiment 233 diende en vermoedelijk tijdens de gevechten in Vlaanderen omkwam. Op enig moment is zijn tijdelijke graf opgeheven of vervangen en is het houten kruis bewaard gebleven. Dat gebeurde met meer oorspronkelijke oorlogsgrafkruizen. Maar wie dit exemplaar meenam, wanneer dat gebeurde en hoe het uiteindelijk in Middelburg terechtkwam, weten we nog niet.

Het kan kort na de Eerste Wereldoorlog zijn meegenomen door iemand die de slagvelden bezocht. Het kan via een Duitse of Belgische familie zijn gekomen. Het kan jarenlang als herinneringsobject zijn bewaard en pas veel later aan de Herengracht terecht zijn gekomen. En ook de gedachte dat het kruis tijdens de Tweede Wereldoorlog werd verborgen is nog niet uitgesloten. Maar voor geen van die scenario’s is op dit moment bewijs.
De belangrijkste volgende stap is daarom niet speculeren, maar provenanceonderzoek. Wie was O. Huhn precies? Waar lag zijn oorspronkelijke graf? Wanneer werden de graven van zijn regiment geruimd of samengebracht op grotere Duitse militaire begraafplaatsen? En wie waren tussen ongeveer 1914 en 1945 de eigenaren, hoofdhuurders en bewoners van M 36b en later Herengracht 80 en 82?
Daarbij is één probleem dat het onderzoek bemoeilijkt: een belangrijk deel van de oude Middelburgse kadastrale administratie ging in mei 1940 verloren. Eigendom kan daardoor niet eenvoudig van legger naar legger worden gevolgd. Mogelijk bieden oude notariële transportakten, bevolkingsregisters, bouwvergunningen en het Middelburgse huisnamenonderzoek alsnog een route.
Voorlopig is het dus vooral een prachtig historisch raadsel. Het object zelf lijkt authentiek en goed te plaatsen in de Eerste Wereldoorlog. De vindplaats in Middelburg is zeker. Alles daartussen moet nog worden bewezen.
Juist dat maakt het kruis misschien wel zo interessant voor verder onderzoek, ook voor een programma als Tussen Kunst en Kitsch. Niet alleen de ouderdom of mogelijke waarde is bijzonder, maar vooral de vraag welke menselijke geschiedenis dit eenvoudige stuk hout gedurende ruim een eeuw met zich heeft meegedragen.
Het is ook nog mogelijk dat het kruis pas veel later naar de Herengracht kwam. Een veel jonger spoor brengt ons naar de jaren tachtig en negentig. Toen woonde wijlen Harry Bongers aan Herengracht 80. Bongers handelde in antiek en curiosa. Een vriend van hem bevestigt dat hij bovendien veel parafernalia uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog verzamelde. Daarmee ontstaat een veel eenvoudiger verklaring voor de aanwezigheid van het kruis: mogelijk heeft Bongers het ooit gekocht of geruild en in zijn woning opgeborgen. Of dat ook werkelijk zo is, weten we niet. Daarvoor moet eerst duidelijk worden wanneer de kastruimte waarin het kruis is gevonden werd dichtgetimmerd.
Foto Herengracht 1962: Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
Overige historische foto’s: ZB Beeldbank Zeeland
Knipsels: ZB Krantenbank Zeeland