Pannenkoeken worden overal ter wereld al eeuwenlang gebakken. Hoe lang dat al precies gebeurt in Nederland durven we niet te zeggen, maar recepten voor de lekkernij zijn al te vinden in een kookboek van rond 1514, ‘Een notabel boecxken van cokeryen’. Komt ‘ie:
Neemt fijn bloeme [bloem], die suldi beslaen met gheste [gist]. Dan, maeckt daeraf deech*. Dan sal men van dien selven deeghe nemen een cleyn clontken [klontje] ende maken dat viercantych seer dunne [flinterdun], emmers [in elk geval] soe dunne alst moghelijck es om maken, totdat cleyn gaetkens worpt [laat zien].
Dan bacxse wel in raeptsmout [raapolie]. Sommyghe dye willen, backen derinne rosinen ende dye steken si hyer en daer eene ende oock cleyn stucxkens van appelen.
Gisteren was het weer Nationale Pannenkoekdag. Die dag werd natuurlijk ook weer gevierd in Sint Laurens, bij Christelijke basisschool Palmenhof. Jolijt! Nu we dan toch een beetje in de sferen van vroeger zitten gooien we er ook maar een versje tegenaan uit 1929, van Anna Sutorius:
Moes moet weer bij buurvrouw wasschen,
Griet en Jooke, hoort me eens aan:
Nu mag jullie met je beidjes,
Naar vrouw Plas in ’t straatje gaan.
Moeder zal straks pannekoek bakken,
Haalt dus olie, gist en meel,
En dit kannetje vol stroop, zeg,
Ook wat krenten, niet te veel.
Stap voor stapje, heel voorzichtig,
Gaat het drietal weer op pad,
Zuigend op een lekker zuurtje,
Dat vrouw Plas gegeven had.
Stap voor stapje, ’t is toch zwaar, hoor,
Even bij den bakker aan
Voor de gist en dan naar huis toe,
’t Drietal heeft het knap gedaan.
‘Mooi,’ zegt Trien, ‘nu deeg gaan maken,
‘k Weet precies hoe Moes dat doet,
O, wat moet je vreeslijk roeren,
Maar dan wordt ’t beslag ook goed.’
Piet staat heel dicht bij de stroopkan,
Och, hij had zoo’n ergen zin,
Mocht ik maar, dan stak ik even
Met één vingertop er in.
Zoo, ’t is klaar, nu moet het rijzen,
Jo, pak op, voorzichtig, zeg!
‘k Zal een doek uit ’t kastje krijgen,
Die ‘k er over henen leg.
’t Staat hier goed, vlak bij het haardvuur,
O, die smulpartij wordt fijn.
Heerlijk, als ons lieve moesje,
Nu maar heel gauw thuis kon zijn.
Telkens gaan ze even kijken,
Ja, het ziet er prachtig uit!
En ze letten in hun ijver,
Niet op Piet, dien kleinen guit.
En die denkt: ‘’t Is best Katrientje,
Kijk jij nou maar naar je deeg,
Ik snoep even uit de stroopkan,
Nee, ik eet ze heusch niet leeg.’
Plots krijgt Trien hem in de gaten;
‘Bengel, zeg wat doe jij daar?’
Pieter schrikt, daar valt de kan om,
En dan…. O, da’s vréés’lijk náár!
Heel de kleverige massa,
Komt op Toosje’s kopje neer.
O! Wat zijn ze toch geschrokken,
Maar gelukkig doet ’t geen zeer.
‘Kom maar heel gauw mee naar buiten,
Op het plaatsje, Tootje mijn!’
Tootje likt eens, Tootje lacht eens,
Want die stroop, die smaakt wat fijn!
Pietje staat beduusd te kijken,
Denkt, ik haal gauw nieuwe stroop!
Moesje zal beslist niet boos zijn,
Als ‘k ze uit mijn spaarpot koop.
Daar is Moeder, nu wordt ’t feest, hoor!
Zij gaat daad’lijk aan den gang,
Trien zal vlug de tafel dekken,
Want het bakken duurt niet lang.
Pieterman gaat bankjes halen,
Moeder’s stoel wordt klaar gezet,
Dan de stroopkan in ’t midden,
Heerlijk, nu begint de pret!
Moeder voert haar kleine Tootje,
Die hapt als een jongen spreeuw,
Trientje plaagt: ‘Jij Pieter lijkt wel,
Op een hongerigen leeuw.’
’t Stapeltje gaat danig slinken,
Als er zulke eters zijn.
Straks krijgt Moes van elk een zoentje:
‘Moedertje, ze waren fijn!’
Met dank aan Joan Krüse voor de foto’s.
De oude schilderijen met mensen die pannenkoeken bakken komen uit de collectie van het Rijksmuseum.
En dat eerste pannenkoekenrecept uit 1439 dan, waar zoveel websites over schrijven? Onderzoek dat maar zelf 😉